Posts tonen met het label zonen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zonen. Alle posts tonen

maandag 9 april 2012

Fifth Avenue

Vanaf de kerk waar Peter Stuyvesant begraven ligt, nemen we de metro naar 59 Street. Daar vandaan is het nog maar een paar blokken lopen naar de ingang van Central Park. Het is lunchtijd en we hebben al een aardige wandeling in de benen. De zon schijnt, het park nodigt uit tot een picknick en rondrennen.
Al lopend door 59 Street kruisen we de Avenues en hoe dichter we bij Fifth Ave komen, hoe meer winkels we tegen komen. Winkels die steeds luxer, duurder en meer trendy worden.
Verlangend kijk ik om me heen, ik zie Kim ook al een blik opzij werpen. Als ik als vanzelf langzamer ga lopen om een etalage met leuke jurkjes te bewonderen en wil voorstellen om even binnen te kijken, begint Simeon aan mijn arme te trekken en te jammeren: ‘ik ben moe, zijn we al bijna bij het park? Mag ik nu al eten?’
Ik ben meteen terug in de realiteit: we zijn met de jongens in New York.

En dus gaan we naar Central Park, waar ze opeens niet moe meer, rondrennen en op de rotsen klauteren. En dus knik ik gehoorzaam als Harro voorstelt om met een omweggetje door het park terug naar de metro te lopen: ‘daar verderop zijn ook nog rotsen en dan kunnen ze over de brug rennen.’
Ik accepteer dat vooral de boottocht naar the Statue of Liberty leuk is en het museum op Ellis Island alleen geaccepteerd wordt omdat ze in de grote zaal -Registery Room- tikkertje kunnen spelen.
Ik begin niet eens meer over winkelen en probeer het positief in te zien: we hoeven geen uren door te brengen in die afschuwelijke poppenwinkel ‘The American Girl’, waar dezelfde outfits voor de pop en de poppenmoeder te koop zijn -voor honderden dollars.
Ik kijk niet meer op van steaks bij het avondeten en bacon met gebakken eieren voor ontbijt. Ik ben niet verbaasd dat ze om half tien al beginnen te vragen of het al lunchtijd is en of ze pizza met een hotdog mogen.

We rijden een extra rit met de subway: ‘wat gaat de trein hard hè, mamma?’ en ik beantwoord honderd vragen over het verschil tussen de metro, tram en trein.
Ik zie er zelfs de lol van in dat we vanuit onze hotelkamer uitzicht hebben op de bouwplaats die ground zero is geworden. De hijskranen, cementmolens en vorkheftrucks draaien van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat: de jongens zitten ademloos met hun neus tegen het raam aangedrukt te kijken.

Maar dat we zonder ook maar één winkel in te zijn geweest over Fifth Avenue hebben gelopen, dat is maar moeilijk te accepteren.

vrijdag 5 augustus 2011

Zeilkamp

Twee jaar geleden had Julian onder druk van ons toegegeven dat hij wel op een zeilkamp wilde in Nederland. Ik bracht hem toen op zondagmiddag weg. Hij zag wat witjes dat ik aan de spanning weet, het was toch allemaal nieuw.
Maandagmorgen al vroeg, belde de kampleiding: Julian was ziek, of ik hem wilde komen halen. Hij bleek een fikse keelontsteking te hebben.
Sinds die tijd gaat het tussen Julian en zeilen niet meer zo goed.

Vorig jaar wilde hij niets horen over een zeilkamp in Nederland, ik besloot niet aan te dringen. Wel wist Harro hem zover te krijgen dat hij in Houston een weekje in een optimist stapte voor een kamp op Amerikaanse leest. Dus gewoon van tien tot vier en tijdens de lunch tv kijken.
Dit jaar kwam opeens een surfkamp in Galveston op tafel. Julian z’n vriendjes gingen er aan mee doen; of hij ook wilde.
‘Ja!’ riep Julian enthousiast.
‘Nee,’ reageerde Harro, je zou toch weer gaan zeilen.’ Ik keek van zoon naar vader die tegenover elkaar stonden en zocht een win-win.
‘En als je nou ‘ns in Nederland een week gaat zeilen en hier gaat surfen?’ stelde ik voorzichtig voor.
‘Maar dan blijf ik niet slapen!’ reageerde Julian meteen en daarmee was de deal gesloten.

Afgelopen maandagmorgen bracht ik Julian naar de zeilschool en om vijf uur haalde ik hem weer op. Ze gingen net zwemmen toen ik aankwam, Julian keek wat moeilijk toen hij mij ontwaarde.
Dinsdag zou m’n zus hem ophalen, ik was in de dierentuin met alle andere kids. Ze vertelde dat Julian eigenlijk niet mee wilde, er was nog zoveel te bespreken met z’n nieuwe vriendjes.
Woensdagavond tijdens het eten thuis, vertelde Julian: ‘ze organiseren vrijdagavond een feestje en de jongens vroegen of ik ook kwam.’
‘Dat gaat niet, ik kan je niet brengen want niemand kan op Daniël en Simeon passen.’
‘O.’
‘Maar je zou er misschien wel kunnen gaan slapen.’
‘Nee, dat doe ik volgend jaar.’
‘Waarom zou je het niet nu nog willen?’
‘Dat vinden ze vast raar, als ik opeens wel blijf.’
‘Misschien vinden je nieuwe vriendjes het alleen maar leuk.’
‘Oké, dan wil ik wel slapen op het kamp.’
‘Echt?’ verrast keek ik op. ‘Dat vind ik heel dapper van je.’

Ik belde meteen naar de zeilschool. De bazin begreep wat er speelde: ‘natuurlijk is er een bed vrij, hartstikke leuk dat hij nog komt.’
Het optimistenlied zingend droogde Julian even later de borden en pannen af. Fluitend zocht hij z’n slaapzak en kleren bij elkaar. Opgewekt gaf hij mij donderdagochtend een knuffel toen ik hem bracht: ‘tot zaterdag, mam.’
Met lege handen liep ik weer naar de auto, het is even wennen om moeder te zijn van een zelfstandige zoon.

dinsdag 12 juli 2011

Uithuizig

De afgelopen twee jaar heb ik me meer dan eens druk gemaakt over Julian z’n vriendschappen. Voor zijn eerste Texaanse verjaardag kwamen vier jongens op zijn feestje, twee hadden afgezegd en meer dan zes wist Julian echt niet te bedenken.
Het tweede jaar in groep vijf ging beter, maar toch. Er woonden geen vriendjes zo dicht in de buurt dat hij er even naar toe kon lopen, laat staan dat er jongens bij ons aanbelden om te vragen of hij kwam spelen.
Al z’n speelafspraken vroegen om communicatie tussen de ouders (lees: moeders), niet echt handig als je tien bent. Bovendien kende ik niet alle moeders even goed en leverden de culturele verschillen wel eens miscommunicatie op.
Al met al zoveel gedoe, dat ik het niet meer op kon brengen om voor Simeon en Daniël dezelfde acties te beginnen. Ook al knaagde het aan me dat ze zo op elkaar aangewezen waren om te spelen.

Een week zijn we nu in Virginia. Afgelopen donderdag nodigde een Canadese vriendin ons uit om te komen zwemmen in haar buurtzwembad. We plonsden lekker in het rond en spoelden het verhuisstof van ons af.
We waren nog geen vijf minuten thuis van dit zwemfeestje of de buurjongen stond aan de deur: ‘heeft Julian zin om mee te gaan naar Chuck E. Cheese?’ Natuurlijk, Julian wilde graag mee naar deze afzichtelijke kinderspeelhal waar je ook nog pizza kunt eten.
Zaterdagmiddag stond dezelfde buurjongen er weer: ‘heeft Julian zin om mee te gaan naar het zwembad?’ Een vraag die Julian in verwarring bracht, want hij had net naar een ander vriendje gebeld om te vragen of hij kwam spelen. Julian wist even niet hoe dit luxe-probleem op te lossen, zoiets had hij nog nooit bij de hand gehad.
Gelukkig wilde het andere vriendje ook wel op zondag komen (en maandag…).

De Canadese vriendin heeft een zoontje van Simeon z’n leeftijd. ‘Denk je dat Simeon het leuk zou vinden om bij ons te komen spelen?’ vroeg ze gisteren.
‘Ik heb eigenlijk geen idee of hij dat durft’, reageerde ik. ‘Maar laten we het proberen.’ Simeon lijkt altijd wel stoer, maar kan ook heel verlegen achter mijn benen wegkruipen.
Tegen mijn verwachting in zat Simeon vanmorgen stralend buiten op het stoepje te wachten tot hij opgehaald werd: ‘ik ga bij Christopher spelen.’ Blij stapte hij in de auto, er helemaal vol van dat hij zonder mij én zonder Daniël op stap mocht.

Opeens heb ik uithuizige kinderen, die gretig sociale contacten leggen en huppelend weer terug komen. Ik geniet ervan, vooral omdat het zo vanzelf gaat.

dinsdag 21 juni 2011

Kameleon

Toen oma Toos er begin mei was, hielp ze me om de voorraadkast op te ruimen. We gooiden twee vuilniszakken met onbruikbare blikken en potten weg. ‘Zullen we Julian z’n kledingkast ook doen?’ stelde ze voor. Ook uit die kast kwam een zak met zooi tevoorschijn.
Nadat Lisette de knutselkast had opgeruimd, -'leeg', constateerde Daniel toen hij de deur open deed om viltstiften te pakken- , bleef er nog één project over: de dvd's.
'Kom, wil je me helpen?' vroeg ik vorige week aan Julian en samen gingen we aan de slag.

Wonder boven wonder, misten we maar één dvd. ‘Ik denk dat die nog in de auto zit,’ wist Julian, ‘daar hem ik voor het laatst gekeken.’ Twee Diego-dvd's hadden geen hoesjes meer, maar dat is leek me niet het grootste probleem.
Ergens achter uit de la kwam nog een dvd van Tiktak, die heb ik maar weggegooid. Samen met een film van Nijntje waar ze nooit wat aan gevonden hebben. Ik stond nog even te twijfelen met de Sesamstraat-dvd's in mijn handen, maar die heb ik toch maar bewaard. Daniël vindt Ernie en Bert nog steeds leuk.

Spannender was dat er ook dvd's tevoorschijn kwamen, waarvan ik niet (meer) wist dat we die hadden. Notting Hill, bijvoorbeeld. Ga ik meteen kijken vanavond, nam ik me voor en legde de film apart.
'Mam, kijk, we hebben films van de Kameleon! Dat wist ik helemaal niet.' Enthousiast hield Julian twee dvds omhoog. ‘Zullen we ze kijken?'
Ik was inderdaad ook vergeten dat we die films ooit hadden gekregen. Tot nu toe hebben de jongens alleen aandacht gehad voor tekenfilms, het verbaasde me dat Julian zo enthousiast reageerde.
'Vanavond oké? Laten we nu even het opruimen afmaken.'

Samen op de bank keken we naar het Friese landschap met veel shots op het Sneekermeer, de bekende Nederlanders (Ed Nijpels!) en de Nederlandse manier van acteren die zoveel minder naturel is dan de Amerikaanse, maar wel aantrekkelijk is. ‘Leuke vader heeft die tweeling’, merkte Julian op toen pa Klinkhamer moest lachen om het kattenkwaad van z’n zonen. Het onvermijdelijke portie bloot viel mee (alleen Maarten Spanjer) en Julian vond het voorzichtige gezoen wel spannend.
Veel leuker dan voor de zoveelste keer Nottingham Hill bekijken, besloot ik en beloofde Julian dat we de Kameleon 2 over de nieuwe weg door het dorp de volgende avond zouden bekijken.

maandag 20 juni 2011

Autopech

Zelfs om acht uur ‘s ochtends is het al heet. De zon prikt venijnig als ik me verstaanbaar probeer te maken boven 35 enthousiaste, maar een beetje zenuwachtige zesjarige zwemmers. Ze moeten zo de estafette zwemmen en het is mijn taak om ze in de juiste volgorde bij het juiste startblok aan te leveren. Mijn oren tetteren nu al en ik moet nog de hele ochtend. ‘De eerste zwemmer zwemt de rugslag, de tweede de vlinderslag’, vertel ik voor de zoveelste keer. ‘Nee, je zwemt in baan twee’, dirigeer ik een meisje terug op haar plek.

Als de jongste zwemmers hun best doen in het water, wordt het iets rustiger. De oudere kinderen weten zelf waar ze wanneer moeten zijn. Snel haal ik mijn iPhone uit m’n broekzak, om Harro te bellen. Hij gisteravond zo laat thuis omdat zijn vlucht vertraging had, dat ik hem nog niet gesproken heb. Hij weet niet hoe laat Julian moet zwemmen, we hebben nog niet bedacht wat we gaan koken voor ons bezoek vanavond. Hij heeft ook nog geen kans gehad mij te vertellen hoe het gesprek gisteren met de makelaar is gegaan. Ik heb hem nog niet kunnen vertellen dat Simeon z’n voet weer vrij is van Poison Ivy en dat Daniël z’n tand die er niet uit wil, ondertussen zeer doet. Laat staan dat we over de verhuizing hebben kunnen nadenken.
Voordat ik op het schermpje van de telefoon kan kijken, vragen nieuwe zwemmers mijn aandacht: ‘in welke baan moet ik starten?’
Dan ren ik naar het water om Julian aan te moedigen voor z’n wisselslag en open het volgende flesje water. Als de jongste zwemmertjes opnieuw langs zijn geweest, maar nu voor de rugslag, zoek ik een stil hoekje en haal m’n de telefoon tevoorschijn. Ja Harro heeft twee keer gebeld, maar in de herrie van al die zwemmers heb ik het niet gehoord.

Voordat ik ‘m kan terugbellen, zie ik een SMS van Lisette. Zo vroeg op zaterdagochtend, dat kan niet goed zijn. ‘Mijn auto start niet meer.’ schrijft ze. ‘Zijn jullie lid van de wegenwacht? Het lukt niet met startkabels. Sorry.’
De rap naderende verhuizing gaat ook vandaag geen prioriteit gaat krijgen.

dinsdag 14 juni 2011

Dromen

'Bij welke club ga ik eigenlijk zwemmen in de herfst?' Julian is uitgespeeld op z'n Nintendo en komt nog even naar beneden, z'n broertjes slapen al. 'Mag ik nog chocola?'
'Ja dat mag.'
Als Julian met een reep naast me op de bank kruipt, zoek ik de website op van Curl Burke Swim club, waar ik hem net vorige week heb ingeschreven. De homepage laat foto's zien van een volwassen zwemmer die handtekeningen uitdeelt aan jongens in zwembroek. De zwemmer is Tom Dolan, volgens het onderschrift.
'Wie is dat?' vraagt Julian.
'Geen idee, maar Wikipedia weet het vast wel.'
We lezen dat Dolan bij Curl Burke begonnen is met zwemmen en Olympische goud heeft gewonnen. 'Wauw, en ik ga bij die club zwemmen...' Julian begint te glimmen.
We kijken via YouTube een filmpje van Dolan's gouden race en dan is er geen houden meer aan, we klikken van het ene filmpje naar het andere.

Wie zien Micheal Phelps z'n vlinderslag doen. 'Hij doet het precies zoals de coach het heeft uitgelegd. Eerst een kick met je hele body en dan een korte kick met je benen.' Automatisch beweegt Julian in het ritme van Phelps mee op de bank.
Via Phelps komen we bij de Olympische Spelen van 2000 en zien van den Hoogenband goud winnen. 'Komt hij echt uit Nederland?' Jeetje, goed zeg! Wat is eigenlijk het wereldrecord op de 50 meter freestyle?'
We zoeken het op, tien seconden sneller dan Julian z'n snelste tijd. 'Dat is niet eens zo'n groot verschil', vindt m'n ambitieuze zoon.
De OS in Sydney brengt ook een filmpje van Inge de Bruin die in een spannende race die 50 meter vrije slag wint. 'Ze zwemt die race in één ademteug, heb ik haar wel eens horen zeggen’, vertel ik aan Julian. 'Poeh, dat kan ik niet hoor!'

Het is ondertussen al ruim bedtijd. 'Nog één filmpje, dan gaan we slapen', waarschuw ik. YouTube stelt de finale van de vrije slag-estafette voor dames voor, 2008 Beijing. 'Die mam, ik doe ook estafette.'
Wij zien hoe de Nederlandse dames als vijfde beginnen, maar dan slag voor slag iedereen inhalen en de laatste meters met ruime voorsprong afleggen. Ik had die gouden race zelf ook nog nooit gezien en ben onder de indruk wat de Nederlandse meiden laten zien.
Julian springt op bij die laatste meters en leeft zich in. 'Kom op, je bent er bijna!' Hij klapt in z'n handen.
'Stel je voor mam, Tony, Eric, Dylan en ik...' De beelden die zich in zijn hoofd afspelen zijn niet moeilijk te raden.

Ik sluit de laptop af en stop ik Julian in bed. Ik geef hem een extra knuffel, 'droom lekker!'

zondag 12 juni 2011

Logistiek

Zaterdag. Julian z’n zwemwedstrijd begint om half zeven en duurt zeker tot half twee. De borstcrawl-estafette is als laatste aan de beurt en omdat Julian lid is van het estafette-team, mogen we ook echt tot half twee blijven. Bovendien wordt er van ons ouders verwacht dat we ons steentje bijdragen aan de organisatie van de wedstrijd. Het is vandaag mijn beurt om de zwemmertjes in de juiste volgorde te zetten, zodat ze op het juiste moment bij het juiste startblok verschijnen.
Simeon heeft om half twee een verjaardagsfeestje op een manege. Na een blik op Mapquest is het iets meer dan een half uur rijden naar de paarden. Daarvoor moet hij lunchen en ik moet nog op zoek naar een lange broek.
Voor Daniël is het veel te warm om lang bij de zwemwedstrijd te zijn. Er wordt gezwommen in een buitenbad en de zon schijnt venijnig deze dagen. Het is een redelijke logistieke operatie om het zo te organiseren dat hij ook nog een leuke zaterdag heeft.
Tot zover niets aan de hand. Het is een gewone zaterdag, met het gewone gepuzzel.

Als ik opsta om op tijd richting ‘t bad te gaan, check ik gelukkig mijn email. Er is een verzoek om een bezichtiging via het automatische systeem van de Houstonse makelaars. Om één uur.
De logistieke radartjes in mijn hoofd gaan meteen aan het werk, hoe organiseren we dit? We hebben niet de luxe om deze bezichtiging te weigeren, het huis moet verkocht. Ik maak Harro wakker en we bespreken hoe we de bezichtiging inpassen in ons toch al ingewikkelde schema. Het betekent niet alleen dat we twee uur lang ons huis niet in kunnen, het betekent vooral dat we daarvoor moeten opruimen.
Uiteindelijk doe ik mijn vrijwilligerswerk in de eerste helft van de lange zwemochtend, terwijl Harro thuis opruimt. Dan komt hij naar het zwembad en ga ik thuis de rest opruimen. Ik mis drie van Julian z’n vier races. Gelukkig vinden de ouders van het jarige vriendinnetje het goed dat Daniël ook komt paardrijden.

Ik jaag door het huis, werk de was weg, maak de bedden op, constateer dat Harro de keuken en het zwembad netjes heeft gedaan, geef de bloemen een extra slok water, en ruim verdwaalde legoblokken en autootjes op. Ondertussen houdt Harro me per SMS op de hoogte van Julian z’n zwemtijden.
Als ik om vijf minuten voor één, hijgend en het zweet van m’n gezicht vegend, Simeon en Daniël in de auto gesp, de tas met boterhammen -we hebben nog niet geluncht- op de stoel naast me zet en het glimmende en glanzende huis afsluit, gaat de telefoon. Het is de makelaar. De kijkers zijn verlaat, of de bezichtiging ook van half vier tot half zes kan.

maandag 6 juni 2011

Borstcrawl

‘Ik moest voluit gaan', hijgend en puffend klautert Harro uit het zwembad. Hij heeft met een handlengte voorspong van Julian gewonnen. Julian laat zich lachend achterover vallen in het water: ‘zullen we nog een keer?’ Die tweede 50 yards borstcrawl wint Julian ruim.
Het is zondagmiddag, we trotseren de hitte en zijn in het buurtzwembad. De heren hebben elkaar uitgedaagd, er allebei van overtuigd dat ze het snelst zijn. Ons eigen zwembad is te klein om echt te racen, dus zijn we in het buurtzwembad waar Julian ook traint.
Ook na de tweede race staat Julian fris als en hoentje aan de kant en wil eigenlijk nog wel een wedstrijdje vlinderslag doen.

Ik heb het ondertussen allang opgegeven, verlies zelfs van Julian in onze eigen zwembad, waar ik door de korte afstand voordeel zou moeten hebben van mijn lengte. Ik durf het hardop te zeggen: ‘mijn zoon is ergens beter in dan ik’. Ik kan hem op het gebied van zwemmen niets meer leren. Ik kan er alleen naar kijken en van genieten en dat doe ik dan ook maar. Zoals afgelopen zaterdag tijdens de eerste echte wedstrijd van het seizoen waar Julian secondes van z'n persoonlijke records af zwom en zich niet liet intimideren door het grote diepe zwembad en alle drukte eromheen.

Na de race in het buurtzwembad - nee, Harro liet zich niet verleiden tot de vlinderslag- kregen we bezoek. Nederlands/Belgische vrienden die aan de andere kant van Houston wonen, kwamen afscheid nemen. Ze namen champagne mee en we legden vis en gamba’s op de barbecue. Het voorspelde onweer bleef aan de andere kant van de stad hangen, zodat we heerlijk buiten aten en toen alle borden leeg waren nog een verfrissende duik konden nemen.
Hangend in ons zwembad, vertelde Harro over z'n borstcrawl-wedstrijd: 'Julian was gewoon veel te snel.' waarop de vriend fijntjes opmerkte: 'misschien was jij wel gewoon heel langzaam.'

maandag 9 mei 2011

Zand

Op de terugweg wilde ik m’n gezicht insmeren omdat m’n huid zo droog aanvoelde. Ik bracht de lotion naar m’n wangen en verwachtte verkoeling en verzachting. In plaats daarvan schuurde het, alsof ik schuurpapier in mijn handen had. Ik probeerde mijn handen nog af te vegen, maar dat hielp niet meer, het zand zat overal. Op mijn handen, op mijn gezicht, in m’n haren en toen ik met m’n tenen wiebelde voelde ik ‘t daar ook zitten.

Met de auto volgeladen met handdoeken, chips, water, snoep, emmers, scheppen en Julian z’n wave board, reden we gistermiddag naar Galveston, naar het strand. Daniël had het er al de hele ochtend over gehad, Simeon zong in de auto mee met Ernie en Bert: ‘samen scheppen op het strand, ja dat schept een echte band…’ Ze hadden er zin in.
We waren niet de enigen die gebruik wilden maken van de zee om wat af te koelen, bijna alle strandstoelen waren bezet. Gelukkig vonden we nog twee lege stoelen onder een parasol, zodat we niet in het zand hoefden te zitten. Dat m’n voeten ondertussen zanderig waren was meer dan genoeg.
De jongens wilden meteen in de zee. ‘Eerst insmeren’, zei ik streng, ook al hadden ze hun UV-werende shirts aan. Heel slim had ik een spuitbus gekocht, zodat ik ik zonder te schuren armen en benen kon beschermen tegen de zon.
De zee lag vol wier, iedere keer dat ik zo’n plantje langs m’n benen voelde gaan, gingen de rillingen over m’n rug. Het waaide, de golven waren hoog. Geweldig, de jongens gleden om de beurt op Julian z’n plank over de golven, maar ook gevaarlijk. Ik stond er als een stresskip naast, had het gevoel dat ik ogen in m’n rug nodig had.
Uitgespeeld gingen we terug naar de stoelen, waar ze meteen op het zand ploften om een zandkasteel te gaan graven. Benen, zwembroeken, shirts, handen, haren, alles zat meteen helemaal onder het zand.
‘Nee, Siem niet boven de tassen’, riep ik verschrikt uit toen hij een zandtaartje kwam brengen. ‘Straks zitten de schone kleren ook nog onder het zand.’

Ik bleef in m’n stoel en deed m’n best om ervan te genieten. Ik at een paar druiven die redelijk zandvrij waren maar kreeg bijna braakneigingen toen Daan met z’n zanderige handen chips zat te eten. Na de laatste keer in het water, tilden we Simeon en Daniël naar een schone handdoek, droogden ze snel af en trokken de bijna zandvrije schone kleren aan. ‘Nu niet meer in het zand spelen, anders ga ik gillen’, waarschuwde ik.

Het strand en de zee zijn niet aan mij besteed, maar de jongens vinden het zalig. Dus strijk ik iedere keer weer over mijn hart en gaan we er naar toe. Zelfs op moederdag.

donderdag 28 april 2011

Langs de lijn

Komende zondag is het de laatste keer dat Julian in het rood met blauw speelt van ‘Space City Football Club’, de lokale voetbalvereniging. Niet dat hij er zelf een traan om zal laten, zo geweldig vindt hij de club niet, maar het is onze eerste ‘laatste keer’ hier in Texas. Onze laatste voetbalzondag waarbij we ons in logistieke bochten moeten wringen om zowel Simeon als Julian te laten spelen.

Op woensdagavond komt altijd het schema binnen. Julian z’n groep is 25 jongens groot en elke week worden daar drie teams van gemaakt, voor drie wedstrijden. Julian speelt om half twee en half drie. Om vijf uur is de derde wedstrijd, maar daar wordt hij niet meer voor opgesteld. Harro vliegt om zeven uur, hij is om vier uur weg en ik weiger om met Simeon en Daniël een uur langs de lijn te zitten als ik er ook nog ‘ns 40 minuten (enkele reis) voor moet rijden.
Daniël heeft zondag toch al pech. Simeon speelt om één uur -uiteraard uit, terwijl Julian thuis speelt- dus Daan moet al mee. Mag hij fijn een uur zittend in z’n tuinstoeltje kijken en Angry Birds spelen. Bovendien is de lente hier voorbij, gisteren was het 34 graden. Het is geen lol meer om de hele middag buiten op het veld te zitten.

Na deze laatste keer voetbal in Houston, volgt uiteraard in de herfst de ‘eerste keer’ in het shirt van 'Vienna Youth Soccer'. En dan beginnen de logistieke bochten opnieuw. VYS heeft een team speciaal voor kinderen die net als Daan de gewone jongens niet bij kunnen houden. Zodat we dan vast zondagen hebben dat we op drie velden tegelijk moeten zijn. Ik kijk er nu al naar uit.

maandag 25 april 2011

Beter weten

‘Morgen gaan we met de auto rijden en in een hotel slapen.’ Het is vrijdagavond en ik zit met Simeon en Daniël over de kalender gebogen. ‘Jippie, hotel!’ roepen ze in koor.
‘Voordat we naar het hotel gaan, gaan we eerst in het bos wandelen en in een bootje varen’, voeg ik er aan toe. ‘Ja, leuk bos!’ Daniël is er meteen voor te vinden.
‘Nee, wil niet in de boot varen. Eerst naar hotel en dan in de boot’, Simeon denkt het weer eens beter te weten.
‘Nee, Siem, we gaan eerst op het water en dan naar het hotel’, reageer ik.
‘Nee, eerst hotel’ en ik krijg een boze blik.

Standvastig als altijd begint hij er zaterdagochtend meteen weer over. ‘Ik wil niet in de boot varen. Ik wil eerst naar hotel, dan pas in de boot. Echt waar mama’, zeurt hij aan mijn hoofd terwijl ik het huis opruim en het aanrecht poets. We zijn het hele weekend weg en je weet nooit of er nog kijkers komen.
Ook in de auto houdt Simeon vast aan z’n hotel-boot volgorde, maar dan trekt de Diego op het kleine schermpje z’n aandacht en lijkt hij ‘t te vergeten.
Na drie uur naar het noordoosten rijden, draaien we de ingang van het Martin Dies jr. State Park op. We parkeren bij de receptie en duimen dat er nog kano’s te huur zijn, we zijn best laat. Maar gezien de wind worden er geen kano’s verhuurd.
De vriendelijke Ranger wijst ons op de kaart aan waar we kunnen zwemmen en picknicken. ‘Vergeet niet dat we om drie uur de slangen gaan voeren in het Natuurcentrum’, voegt hij er aan toe. We gaan picknicken, zwemmen in de hoge golven -er staat inderdaad veel wind- en om drie uur kijken we hoe een slang een muis verorbert.

Dan rijden we naar het hotel, waar we nog meer zwemmen, een kussengevecht houden en SpongeBob kijken. Zondagochtend staan we vroeg op, het lijkt erop dat het nog niet zo hard waait. We mogen met de kano’s het water op, als we beloven na twee uur terug te zijn, voordat de wind weer aantrekt.
We pakken de rugzak met water en koekjes, smeren met zonnebrand en muggenspray en sjorren de kano’s het water in. Als ik de kano stil hou, zodat Simeon kan instappen, komt hij met z’n commentaar: ‘zie je wel mama, we gingen eerst naar het hotel en nu in de boot.’ Tja, wat moet ik daar nu op antwoorden?

maandag 18 april 2011

Schermenverbod

Ze zitten alweer meer een uur achter de laptop, Pokémonfilmpjes te kijken op YouTube. De TV staat hier bijna nooit aan, maar dat betekent niet dat er niet naar schermen gekeken wordt. YouTube is favoriet, de Nintendo en Angry Birds op de iPhone verdringen zich om de tweede plaats.
Ik waarschuw dat er over vijf minuten een schermenverbod in gaat, zet de eierwekker en als dat ding begint te rinkelen, komen ze wonderwel in beweging.
‘Kom jongens, ontbijten’, zeg ik opgewekt. ‘Zal ik een eitje koken? Jullie mogen eerst papa uit bed halen, dan ontbijten we gezellig met z’n allen.’
Als de eitjes op zijn, verdwijnen ze met ‘n drieën naar de trampoline. Het ontgaat me dat ze alle zwaarden uit de verkleedkist bij zich hebben.

Harro en ik nemen een tweede kopje koffie en zakken onderuit op de loungebank buiten. Het is hier volop zomer, nog zonder de hitte en de vochtigheid die de komende weken gaan komen. We praten de afgelopen week bij en bedenken hoe we het logistieke probleem van deze zondag oplossen: twee voetbalwedstrijden op hetzelfde moment én een open huis gaan niet zomaar samen.
Vanaf de trampoline, buiten ons gezichtsveld, klinkt geruststellend veel gelach, geschreeuw en nog meer gelach. Net als ik genietend nog een slok koffie met opgeklopte melk wil nemen, gaat er iemand heel hard huilen. Het is Simeon en het klinkt serieus. Serieus genoeg om op te staan en polshoogte te gaan nemen.
Hij zit onder het bloed, de wond op zijn voorhoofd is te breed en te diep om uit zichzelf te helen. Julian komt zeer schuldbewust achter Simeon aan lopen. ‘Hij gooide eerst, en toen gooide ik het zwaard terug en toen was er opeens bloed. Ik kan er niets aan doen.’
We zeggen niets, dat is niet meer nodig. Ik ga snel douchen en zet Siem met z’n kapotte voorhoofd in de auto om naar de ER te rijden. Al rijdend vraag ik me af hoe ik hier een acceptabel verhaal van maak. Wie laat er nu haar kinderen met zwaarden op de trampoline spelen? Ik zucht ‘ns diep, ik dacht altijd dat we goede ouders waren met ons schermenverbod, maar nu blijkt Youtube-filmpjes kijken opeens heel veilig.

maandag 21 maart 2011

Douchen


We kamperen en het voelt als vanouds. Kokkerellen op twee pitjes, nog maar een keer afdrogen met die ene handdoek die eigenlijk vies is, eerst water koken voordat je kan afwassen (maar alle pannen zijn vies...), ‘s nachts struikelend over haringen ‘s naar de wc, ‘s ochtends stram en stijf wakker worden omdat het luchtbed toch lek bleek.
De jongens genieten. Ze rijden hun autootjes over ons hele veldje, willen helpen met koken, vinden afdrogen opeens leuk, willen graag gaan slapen om met de zaklamp aan in de tent nog een boekje lezen.
Maar kamperen is ook 24-uursdiensten draaien. Met de nadruk op 24 uur, want midden in de nacht is het toch wel erg donker in de tent en ook wel een beetje eng. Dus lig ik tussen twee opgeluchte, snurkende kinderen die zich elke minuut omdraaien en krult Harro zich op in het kindertentje.
‘Ik hebt honger’, meldt Simeon als de ontbijtsessie net achter de rug is en de theedoeken te drogen hangen.
‘Mag ik appelsap, please?’ vraagt Daniël heel netjes als we net het kratje met het serviesgoed hebben opgeruimd.
‘Kom pap, voetballen’, roept Julian als Harro net terugkomt van een rondje speeltuin met de de andere twee en Simeon meldt dat hij alweer honger heeft.
‘Nee, niet lezen!’ roept Daniël als ik één moment mijn boek pak, ‘kom kleuren!’
We vullen rugzakken met lunchspullen, smeren zonnebrand, veteren bergwandelschoenen, maken noodstops bij de wc, zoeken sokken, ondergoed, truien, zaklampen, koken maar weer een berg spaghetti en luisteren naar het geklets dat de hele dag doorgaat.

Maar dan valt de avond.
‘Ze zijn stoffig en plakken, ze moeten echt wel even onder de douche.’ opper ik voorzichtig. Harro knikt gelaten. Ik help om pyjama’s, handdoeken en toiletspullen tevoorschijn te toveren, maar dan is het toch echt aan hem; hij moet ze meenemen onder de douche. Amerikaanse vrouwen zijn als de dood voor piemeltjes.
Ik kijk ze na als ze met z’n vieren over het paadje richting de mannenafdeling van de toiletgebouwen lopen en voel de stilte over me heen komen. Opeens is er helemaal niemand die iets van me wil. Ik zou zomaar in een stoel kunnen gaan zitten en vijftien minuten voor me uit staren.
Ik zet een stap in de richting van de zwarte inklapbare kampeerstoel die in het laatste restje zon staat en struikel over een van de autootjes die nog overal liggen. Hij knarst onder mijn voet. Zuchtend pak ik de ‘autootjesmand’ en zie ook de laatste zonnestralen achter de berg verdwijnen.

woensdag 9 maart 2011

Voetbal

Maandag ging Simeon mee om Julian naar z’n voetbaltraining te brengen. Hij ging in volledige uitrusting: voetbalschoenen, scheenbeschermers, hoge sokken, sportbroekje, shirt. In de auto terug naar huis verzuchtte Siem: ‘nog één nachtje slapen.’ En inderdaad, gisteren was het dan eindelijk zo ver: z’n allereerste echte voetbaltraining.

Natuurlijk regende het. Ik had de hele dag de website van de club in de gaten gehouden (op de iPhone want internet deed het gisteren aan het einde van de middag pas weer) of de velden open zouden blijven. Meestal gaat het sein bij de eerste echte stortbui op rood, maar gisteren tot ons grote geluk niet. We hoefden Simeon niet teleur te stellen.
Om vijf uur zat hij helemaal klaar, z’n nieuwe rode bal onder zijn arm, een granolabar in z’n tas. Want als je gaat voetballen mag je snoepen. De training zou pas om kwart voor zes beginnen.
Al om half zes parkeerde ik bij de voetbalvelden. ‘Heb ik hier voetbal? Op het grote veld? Net als Julian?’ Simeon had blijkbaar ondanks mijn uitleg, het kleine zaaltje van de peutervoetbal in z’n hoofd en moest even schakelen.
Net toen we uit wilden stappen, begon het uit de donkere, dreigende wolken te plenzen in plaats van te miezeren. We bleven in de auto wachten, tot er meer kleine jongetjes op het veld verschenen en de regen weer over ging in miezer.
Coach Berry bleek een fanatieke. hij hield de acht vier- en vijfjarigen (zeven jongetjes en één meisje) tot zeven uur bezig. Dribbelen, schieten, nog meer dribbelen, naar elkaar schieten -‘gebruik de binnenkant van je voet Simeon, niet de punt’- en tot slot een wedstrijdje. Ik was doorweekt, was moe van het staan, had het wel gezien. Simeon straalde en wilde alleen maar weten wanneer hij weer mochten voetballen.
‘Donderdag, nog twee dagen naar school’, vertelde ik hem vanmorgen. ‘Vanavond is Julian weer aan de beurt.’ De auto weet de weg naar de voetbalvelden ondertussen zelf te vinden.

maandag 7 maart 2011

Tien


We zijn bij de bakker in de supermarkt, bestellen z’ n verjaardagstaart, met een voetbalthema natuurlijk, en kopen kaarsjes. Naast echte kaarsjes wil Julian ook z’n jaartal op de taart. En als ik twéé cijferkaarsjes -een 1 en een 0- in het winkelwagentje leg, dringt het opeens tot me door: hij wordt tien en dat is geen klein kind meer.

‘Kinderen van tien zijn toch wel zo’n beetje af?’ Met deze vraag opent de redacteur van het Volkskrant Magazine een speciale editie die geheel is gewijd aan de tienjarigen in onze samenleving. Ik schrik als ik die vraag lees, dat gevoel heb ik helemaal niet. Volgens mij moet het nog steeds beginnen. Het makkelijke werk -zindelijk worden, jezelf aankleden, veters strikken-zit erop, het moeilijke deel -hoe red je je in de samenleving?- begint z’n voet tussen de deur te krijgen. Gelukkig is de rest van de redactie van het Magazine het met me eens, er moet nog elke dag opgevoed worden.
Met grote interesse lees ik de interviews met Nederlandse tienjarigen verderop in het blad en concludeer dat Julian nog echt een kind is vergeleken met hen. Is dat een verschil tussen het Nederlandse en Amerikaanse opvoeden? Zijn kinderen in Nederland eerder zelfstandig? Worden Amerikaanse kinderen teveel gepamperd en achternagelopen? Er is een groot verschil tussen overal met de auto naar toe gebracht worden of zelf op de fiets naar de voetbaltraining gaan. Wij zijn hier één van de weinige ouders zijn die niet de hele training langs de lijn staan.
Of is Julian nog heel kinderlijk? Hij heeft twee kleine broertjes, waar hij bij gebrek aan een eigen sociaal netwerk veel mee speelt. Moet ik me zorgen maken?

Na enige druk van onze kant, vindt Julian het toch leuk om een feestje voor zijn verjaardag te organiseren. Hij wil graag vier vriendjes uitnodigen. We sturen een email of ze zin hebben om op zaterdagavond pizza te komen maken en eten en daarna een film te kijken.
Ze komen alle vier, wat mij verbaast. Meestal nemen Amerikanen uitnodigingen voor verjaardagen niet zo serieus. De vijf jongens gaan naar buiten, genieten van het mooie weer en de trampoline. Ze ook best nog wel even met hun handen in de bloem graaien en kaas over de pizza strooien.
Ondertussen wordt er alleen maar gekletst, gegiecheld en gestompt. Julian is het middelpunt van dit vriendengroepje. Ik had hem van te voren uitgelegd wat het betekent als je gastheer bent: dat je dan moet zorgen dat iedereen het naar z’n zin heeft.
‘Mam, hoe moet het nou? Wij willen met de bal, maar Kyle wil liever op de trampoline.’ komt hij gezagsgetrouw vragen als ik deeg sta uit te rollen.

Ik laat de verhalen in het Volkskrant Magazine voor wat ze zijn en geniet van Julian, die z’n tien jaar op eigen wijze beleeft door vooral zichzelf te zijn.

dinsdag 1 februari 2011

Hoogtestage

Julian sprong gisteren door het huis. Meestal is hij niet zo outgoing, maar gisteren kwam hij zingend uit school, deed zingend zijn huiswerk, ging vrolijk naar de voetbal, meestal moeten we hem er naar toe sleuren en kwam vol verhalen terug. Ik vond het verdacht, wat was er met hem?

Op vrijdag vlogen Harro en Julian naar de Rocky Mountains voor een ski-weekend. Van Houston, dat op zeeniveau ligt, gingen ze in twee uur naar 2900 meter hoogte, waar het hotel zich op bevond. De hoogste lift van het skigebied bracht de heren naar 3750 meter. Harro had, onder het mom van hoe haal je het meeste uit je weekend, voor vrijdagmiddag een ski-les geregeld, zodat ze daarna samen anderhalve dag konden skieën. Het ging vrijdagmiddag meteen al mis; hoe naief kan je zijn?
Want het hoogteverschil was veel meer dan Julian z’n lichaam kon verwerken. Doodmoe hebben ze één afdaling gemaakt vrijdagmiddag, de rest van de middag is verslapen en de skiles verzet naar zaterdagochtend.
Julian was dapper op zaterdag, maar ook toen had hij last van de hoogte. Hoesten, blubberbenen, koud; hij heeft van het weekend genoten, maar het viel niet mee. ‘Ik moest al huilen omdat ik mijn handschoenen niet goed aankreeg. En door het huilen kreeg ik nog minder lucht.’ Met zijn hoofd gebogen over de kaart met alle afdalingen deed hij vanmorgen z’n verhaal.
‘Zondag wilden we helemaal zo naar beneden, maar ik was zo moe, dat we hier een short cut hebben genomen’, vertelde hij wijzend op de plek waar het echt niet meer ging.

Toen ze zondagavond weer thuis waren, zag Julian wit met wallen onder z’n ogen. Hij had in het vliegtuig geslapen. Er kwamen geen verhalen, hij kroop meteen weer zijn bed in. ‘Misschien heeft hij iets onder de leden, als hij morgen nog zo is, moet hij maar thuis blijven’, zei ik ongerust. Want als je het hele weekend heb geskied, mag je best enthousiast terugkomen.
Maandagochtend werd hij, tot onze verrassing, opgewekt wakker. Hij stond ruim op tijd klaar om naar school te gaan, had zelf z’n spullen bij elkaar gezocht.
Pas ’s avonds na de voetbal begon het me te dagen, vooral omdat Harro uit z’n werk ook al zo’n wakkere, uitgeruste indruk maakte. Ze hadden alletwee veel te veel witte bloedlichaampjes in hun lichaam voor een leven op zeeniveau; ze waren lichtelijk high. Alsof ze een hoogtestage hadden gedaan.

zondag 2 januari 2011

Grenzen


Opeens hebben we een grote-jongens-vakantie, gevuld met stoere activiteiten. Onze reis door Costa Rica –we hebben genoten- opent een luikje naar de toekomst: onze vakanties zullen de komende jaren actief, stoer en vol adrenaline zijn. Met drie mannen die alles gaaf en cool vinden en vooral niet voorelkaar onder willen doen. En waar wij achteraan hobbelen.

Als ook hij een tuigje om krijgt, en een helm op, zie ik Harro z’n gezicht betrekken. ‘Ik dacht dat we een Canopytour hadden geboekt,’ zegt hij, terwijl hij moeizaam naar de kabelbaan kijkt die ergens tussen de boomtoppen verdwijnt.
‘Dat hebben we ook, wist je niet dat dat hetzelfde is als een zipline?’ Ik moet lachen om zijn gezicht.
‘Ik dacht dat we over van die hangbruggen van boom naar boom zouden lopen en dat de gids vooral veel zou vertellen over het oerwoud.’ Harro stribbelt nog even tegen, maar de jongens hebben allang in de gaten wat we gaan doen en staan te juichen.
Tot onze opluchting, mogen de jongens niet in hun eentje de kabelbaan afroejtsen, maar gaan ze samen met een gids. De eerste twee banen gaan goed –ook al gaat de tweede over de rivier en komt Harro witjes aan-, maar dan komen we midden in het oerwoud en staan we op een platform met voor ons een korte kabel.
De gids die Daniël bij zich heeft, schiet alleen naar de overkant. ‘Wat doet hij nou?’ roept Harro uit.
They can go by them self, it is safe!’ legt de andere gids uit, terwijl ze Simeon vastgespt en hem een duwtje geeft. Harro en ik krijgen bijna een rolberoerte van schrik als Simeon luid schaterend in z’n eentje, aan het dunne ijzerdraadje, hoog boven de grond naar het volgende platform zoeft.

‘Wat vonden jullie het allerleukste aan de vakantie?’ vraag ik aan de jongens als we op het vliegveld van San José wachten op de vertraagde vlucht naar Houston.
Simeon antwoordt zonder nadenken: ‘dat we zo zoef door de bomen gingen, met zo’n broekje aan.’
Julian kan even niet kiezen. Hij vond het paardrijden ook heel leuk, maar besluit dat hij de surfles van die laatste ochtend echt het allerleukst vond. ‘Het ging zo goed, ik kon helemaal mijn balans houden tot aan het strand! Het is echt heel gaaf om zo over de golven te glijden!’ Harro knikt en voelt voorzichtig de pijnlijke blauwe plekken op zijn scheenbenen en zijn stijve spieren: ook na drie uur oefenen kon hij niet recht op het board blijven staan.
Daniël hoeven we het niet te vragen, die heeft zo zitten stralen en joelen voorin het raft toen we de woeste rivier afgingen; geen waterval was hem te diep.
‘En jij mam?’ vraagt Julian dan. ‘En jij papa?’ Tegelijkertijd antwoorden we: ‘de wandeling met de gids in het oerwoud, die zoveel te vertellen had.’
Als ik naar de afkeurende gezichten kijk, begrijp ik dat we nog vaak over onze grenzen heen zullen moeten stappen de komende jaren.

dinsdag 14 december 2010

Vrienden maken

Het is geen geheim dat vrienden maken hier in Texas niet zo soepel gaat. Ik vind dat ik niet in de positie verkeer om erg kritisch te zijn en streng te selecteren. Dus ging ik gisteren lunchen met de moeder van Nathan, een jongetje waar Julian vorig jaar wel eens mee speelde, maar waar ik hem nu niet meer over hoor.

Het begint goed. We zijn allebei op tijd, bestellen eten en ik drink mijn koffie. Zij is Joods en Hannukah viel vroeg dit jaar. We vinden het samen heerlijk dat wij alle decemberkadoos al gehad hebben terwijl de mensen om ons heen zich steeds drukker maken.
Als ze over de kinderen begint gaat het mis en ik weet meteen weer waarom ik vorig jaar altijd zo zenuwachtig van haar werd.
Nathan doet het net als Julian goed op school. ‘Zit Julian niet in het GT-programma?’ vraagt ze licht verbaasd. GT staat voor Gifted and Talented, zeg maar het programma voor hoogbegaafden.
‘Nee, hij is een keer getest en dat ging niet goed. Julian is niet hoogbegaafd, hij is vooral een hele harde werker.’
‘Je kunt hem opnieuw laten testen, Nathan heeft dat gedaan, we wachten de uitslag nog af.’
Dan begint ze een heel verhaal over het belang van hoge cijfers tijdens de Texaanse versie van de Cito-toetsen komend voorjaar omdat die cijfers bepalen of je kind op de middelbare school in aparte GT-lessen mee mag doen. ‘Daarom sturen we Nathan straks naar huiswerkbegeleiding, zodat hij optimaal kan presteren in het voorjaar’, besluit ze haar relaas.
Ik probeer het allemaal te volgen, ze gebruikt veel termen die ik niet ken, en word dan zenuwachtig. Moeten we dat ook met Julian? Doen we niet te makkelijk over zijn opleiding? Zijn allemaal A’s niet voldoende?
Ze voelt mijn onrust en doet er een schepje bovenop. ‘Doet Julian geen basketball naast de voetbal? Nathan z’n basketball is al begonnen. En straks in februari begint het baseball weer. Dan is er geen tijd meer voor voetbal, want baseball betekent elke dag trainen. Ik stuur ‘m nu al één keer in de week naar ‘batting’.' Tijdens ‘battting’ weet ik ondertussen, leer je hoe je de bal moet raken met je honkbalknuppel.
Ik hou mijn mond en herinner me dat ze haar zoon afgelopen zomer naar privé zwemles stuurde om beter te leren duiken. Ondanks die privé-lessen bleef Julian Nathan een straatlengte voor tijdens de zwemwedstrijden. Ik knik vriendelijk en wenk de ober, het is mooi geweest.

In de auto naar huis ben ik trots op Julian. Niet om zijn schoolprestaties of sportactiviteiten, maar omdat hij wel durft te selecteren in zijn sociale netwerk, ook al betekent dat, dat hij maar twee vriendjes overhoudt. Toevallig (of niet?) hebben ze allebei een leuke moeder.

woensdag 1 december 2010

Dameszaken

Ze vlogen gisterenochtend van Cancún naar Houston, huurden een auto, trotseerden de files op de Houstonse ringwegen en nu zijn ze hier. Twee dames die een maand door Zuid-Amerika hebben getrokken en op de terugreis een paar dagen langskomen. Ze brengen pepernoten die al die weken onderin de rugzak hebben overleefd, en veel vrolijkheid. Als we gaan eten, zegt Julian: ‘hé, we zijn nu opeens met evenveel jongens als meisjes.’

De ene dame heet Liesbeth, zij was onze allereerste au pair toen Simeon nog een klein babietje was. Ze heeft drie maanden bij ons gewoond, die zo intensief waren, dat we altijd kontakt hebben gehouden. Ze brengt vriendin Nienke mee.
We halen herinneringen op. Aan die ene keer, Simeon was toen al een peutertje, dat Liesbeth vanuit Nederland met drie vriendinnen op vakantie ging in New England en ze in Newport, aan de kust van Rhode Island strandden: geen hotel had nog een kamer vrij.
Toevallig waren wij in Newport op vakantie; toen we terugkwamen van het strand, zaten de drie dames op de veranda van ons vakantiehuis te wachten. Of ze mochten blijven slapen.
We praten over Daniël, hoe hij vooruit gegaan is. ‘Toen ik bij jullie kwam at hij alles nog gepureerd’, herinnert Liesbeth zich. ‘Hij kon toen echt nog niets zeggen.’

Als we de serieuze onderwerpen hebben gehad, gaan we over op belangrijkere zaken. Waar ze kunnen shoppen, of er ook een Victoria Secret en een Pink is. Ze hebben elk nog 10 pound ruimte in de rugzak en die moet gevuld.
'Is er misschien ook ergens een kapper? M’n haar is nu toch echt te lang’, verzucht Nienke.
‘Ik zou naar de grote mall in de stad gaan,’ zeg ik, ‘daar zit ook een Cheesecake Factory.’
‘Echt?’, Liesbeth begint al te glimmen bij het vooruitzicht.

Het hele huis vult zich drie dagen met dameszaken; er is even geen ruimte voor voetbal, elektrodozen en vliegtuigen.

donderdag 28 oktober 2010

Jeugdboeken


Wat lees je met een zoon van negen? Met een dochter had ik allang de hele serie van de ‘The Little House on the Prairie’ gelezen of Pitty gaat naar Kostschool, of de Dolle Tweeling. Maar met een jongen, in het Engels?

Toen Julian net begon te lezen ontdekten we de serie van de ‘Magic Tree House’, er zijn een aantal deeltjes vertaald als ‘De Magische Boomhut’. Het gaat over Jack en Annie, broer en zus die met die boomhut zowel door de tijd als over land en zee kunnen reizen en overal waar ze komen avonturen beleven.
De mengeling van feit en fictie sprak Julian aan; we hebben alle 43 delen achterelkaar gelezen. Het begon hakkelend een bladzijde per avond tot het laatste deel dat hij in één ruk uit had.

Te oud geworden voor Jack en Annie gingen we op zoek naar een nieuwe uitdaging. Harry Potter begon leuk, maar we strandden in deel twee. Teveel magie en te weinig alsof-het-echt-gebeurd-is.
‘Diary of a Wimpy Kid’, vertaald als ‘Dagboek van een Loser’, ging mij te ver. Dat mocht Julian in z’n eentje lezen. Zoals de juf ook al zei: ‘strips tellen eigenlijk niet mee.’
Met het verplicht lezen op school in mijn achterhoofd, troonde ik Julian mee naar de boekhandel: ‘Oké, je gaat nu minimaal één boek uitzoeken en dat ga je echt lezen.’ Met een stuurs gezicht dwaalde hij langs de rekken en uiteindelijk pakte hij ‘The Lighting Thief’, strak vertaald als ‘De Bliksemdief’, uit het schap. ‘Dit gaat over Percy Jackson en de goden, jongens uit mijn klas lezen het ook,’ wist hij te vertellen.

Het bleek een gouden greep. We zijn helemaal in de ban van Percy Jackson die de Griekse Mythologie tot leven brengt. Ik heb van Wikipedia een overzicht van de twaalf Olympiërs geprint, de belangrijkste goden die een centrale rol spelen in het boek. Of liever de boeken. We zijn ondertussen aangeland in deel drie van de hele serie. Afgelopen zaterdag hebben we de film over de Bliksemdief gezien; zelfs Harro ging mee zitten kijken.
Percy is half god, zijn vader is Poseidon de god van het water, en half mens. Dat geeft hem bijzondere krachten, maar ook bijzondere plichten en maakt hem kwetsbaar voor de alom aanwezige mythische monsters.
Ook nu spreekt de mengeling van feit en fictie Julian aan. Percy, Grover (een sater, half mens en half geit) en Annebeth (dochter van Athena, godin van de wijsheid) gebruiken magie, maar eten ook tortilla’s en hamburgers en wonen in hetzelfde Amerika als Julian.

Ik heb me erbij neergelegd dat ik de gevechten met de mythische monsters, de ruzies tussen de goden en de uiteindelijke overwinning van Percy, in de komende jaren vast nog twee keer mag meelezen.
Laura Ingalls Wilder en haar meisjesavonturen staan in de kast heel erg stoffig te worden.